CASTSIDE

Visgids

Roofvissen in Amsterdam

Bijgewerkt op .

In de grachten van Amsterdam zitten baars, snoekbaars en snoek, vanaf bijna elke plek in de stad op loop- of fietsafstand. Deze gids is voor beginners, en voor vissers die nog niet gewend zijn aan vissen in Nederlands stadswater.

Hij geeft antwoord op één vraag: je hebt een VISpas en een vrije middag, dus wat neem je mee, waar zoek je, wat gooi je erin en hoe vis je ermee? Vis leest geen gidsen, dus zie elk getal hier als een goed vertrekpunt, niet als garantie. Is iets de gewoonte van één visser en geen feit, dan staat dat erbij.

Net begonnen met vissen in Amsterdam? Lees dan eerst Zo begin je: de VISpas, waar je mag vissen en de regels.

Voor kunstaasvissers zijn twee dingen het belangrijkst: geen kunstaas van 1 april tot en met de laatste vrijdag van mei, en overal waar snoek kan bijten een snoekbestendig uiteinde aan je lijn: een staaldraad onderlijn, of minstens 0,8 mm fluorocarbon.

Weinig tijd? Lees eerst deze vijf

  1. Eén setup om mee te beginnen
  2. Montage en knopen
  3. Je eerste 10 worpen
  4. Aanbeten en aanslaan
  5. Landen en terugzetten

De rest is voor als je wilt snappen waarom, of als de basis niet meer werkt.

Baars, snoekbaars en snoek

Drie roofvissen, drie gewoontes. Baars jaagt overdag op zicht, rond harde structuur. Snoekbaars jaagt vlak boven de bodem als er weinig licht is, en het bruine water van Amsterdam komt hem goed uit. Snoek valt aan vanuit dekking en kruid.

BaarsSnoekbaarsSnoek
JaagtOp zicht, in groepenVlak boven de bodem, bij weinig lichtVanuit dekking, in zijn eentje
Beste lichtOverdagSchemer, nacht, diepe schaduwOverdag en in de schemering
Zoek bijBruggen, palen, botenDiepe schaduw, randen van lamplichtKruid, boten, oevers van plassen
Maat kunstaas5–8 cm7–10 cm12–15 cm
AanbeetSnelle tikjesEen droge ‘tik’ tijdens het zakkenEen harde klap

Baars

  • Zo jaagt hij: op zicht, in scholen die kleine vis klemzetten tegen muren of naar de oppervlakte opdrijven. Bijt er één, dan volgen er vaak meer: heb je een vis, blijf dan op je stek.
  • Waar: bij bruggen, palen, afgemeerde boten, woonboten en in havens, vaak strak tegen de structuur en iets boven de bodem.
  • Wanneer: overdag, in de zomer met pieken bij zonsopkomst en in de avond. De herfst is topseizoen: als het water afkoelt, trekken grote baarzen samen in scholen.
  • Voedsel: kleine blankvoorn, jonge baars, stekelbaars, rivierkreeft en steeds vaker zwartbekgrondels, een invasieve bodemvis die nu ook in de grachten zit.
  • Formaat: volgens visguides in Amsterdam zijn de meeste vissen 25–40 cm, en 50 cm+ kan ook. Baars heeft een dunne bek, dus met een iets lossere slip scheurt de haak er minder snel uit.

Snoekbaars

  • Zo jaagt hij: vlak boven de bodem, met ogen die gemaakt zijn voor weinig licht (een reflecterende laag, waardoor ze oplichten in het licht van een zaklamp). In bruin water en in de schaduw jaagt hij ook overdag.
  • Waar: diep onder bruggen, bij het remmingwerk van sluizen, bij havenmonden, langs het IJ en in het diepste deel van een gracht. ’s Nachts komt hij hoger en jaagt hij langs de grens tussen lamplicht en donker water.
  • Wanneer: van de schemering tot in de nacht is het best. Overdag zoek je hem diep in de schaduw, vooral als het water troebel is. In de winter is het warmste deel van de middag vaak het best.
  • Voedsel: slanke vissen zoals spiering op het IJ, jonge baars, pos, blankvoorn en grondels. Snoekbaars zwerft rond: denk in een gebied, niet in één vaste stek.
  • Formaat: volgens visguides meestal 45–65 cm, en vissen van 70 cm+ worden regelmatig gevangen. De bek is hard en benig, dus je haken moeten scherp zijn en je aanslag stevig.

Snoek

  • Zo jaagt hij: wacht in dekking en schiet dan toe. Snoek ziet ’s nachts slecht en houdt niet van stroming, dus hij ligt in de luwte ernaast.
  • Waar: langs kruidranden, in plassen en polderwater, langs de oevers van de Amstel, en in grachten rond boten en bruggen. Hij verspreidt zich ook in de grachten van de binnenstad, en daarom is een snoekbestendige onderlijn bijna overal belangrijk.
  • Wanneer: overdag en in de schemering. Eind van de winter, vlak voor de paai, is hij het zwaarst.
  • Formaat: volgens visguides gemiddeld rond de 70 cm, en elk jaar vissen van meer dan een meter.
  • Warm water: veel vissers laten snoek met rust als het water warmer is dan zo’n 22 °C, omdat hij dan snel uitgeput raakt en slecht herstelt.

Zo werkt het Amsterdamse water

Een paar feiten over het water verklaren de meeste tips in deze gids.

  • De grachten zijn ondiep. Meestal 2–3 m, plaatselijk dieper, met een zachte bodem van organisch slib. Kleine diepteverschillen (de geul onder een brug, de vaargeul) maken veel uit.
  • Het water is bruin. Veen- en humuswater uit de polders kleurt het, en boten woelen het slib steeds weer op. Waternet meet meestal minder dan een meter doorzicht, vaak 70–80 cm. Daarom kun je hier ook overdag snoekbaars vangen, en daarom winnen contrast en trilling het van de precieze kleur.
  • Het water staat meestal stil. De grachten worden sinds 2010 niet meer standaard doorgespoeld. Het water stroomt langzaam van de Amstel via de grachten naar het IJ, en echte stroming krijg je alleen waar sluizen of gemalen draaien, na flinke regen of door boten.
  • De bodem ligt vol troep. Waternet vist elk jaar zo’n 12.000 fietsen uit de grachten. Harde dingen op een zachte bodem (puin aan de voet van een kademuur, brugfundamenten, gezonken fietsen) trekken vis aan, en zorgen voor hangers. Reken erop dat je wat kunstaas kwijtraakt.
  • Het IJ is ander water. Veel dieper, met stroming, wind, ponten en schepen, en onderin een laag zout water door de zeesluizen bij IJmuiden. Je hebt er zwaardere jigkoppen nodig, en het IJ staat bekend om zijn snoekbaars.

Eén setup om mee te beginnen

Je hebt geen rek vol hengels nodig. Met één lichte spinhengel kom je in de grachten een heel eind voor baars en snoekbaars, en land je ook af en toe een snoek, zolang het uiteinde van je lijn maar snoekbestendig is.

  • Hengel: 2,10–2,30 m, werpgewicht zo’n 5–20 g, met een snelle (fast) actie: hij buigt vooral in de top. Een twee- of vierdelige hengel is makkelijker op de fiets. Werpgewichten zijn niet gestandaardiseerd, dus vergelijk hengels binnen één merk.
  • Molen: maat 2500. Een slip die soepel loopt bij een lage instelling is belangrijker dan een hoge maximale slipkracht.
  • Gevlochten lijn (hoofdlijn): 8-draads in een felle kleur, zo’n 7–9 kg breeksterkte. Koop op sterkte: uit onafhankelijke tests blijkt dat de opgegeven diameter vaak veel dunner is dan de echte lijn, en dat verschilt per merk. Aan felgekleurde gevlochten lijn zie je aanbeten.
  • Fluorocarbon onderlijn: zo’n 1 m van 0,25–0,30 mm, vastgeknoopt aan het eind van je gevlochten lijn. Gevlochten lijn rafelt snel op muren, rompen en mosselen; dit stuk vangt het schuren op. Deze onderlijn is niet snoekbestendig.
  • Snoekbestendig uiteinde: klik een kant-en-klare staaldraad onderlijn van minstens 30 cm (soepel 7×7 staal of titanium, met een goede snap) aan de fluorocarbon, en je kunstaas aan de staaldraad. Snoek zit in het meeste water in Amsterdam en bijt dunne fluorocarbon meteen door, waarna de vis wegzwemt met jouw haak in zijn bek. Minstens 0,8 mm fluorocarbon werkt ook, maar die is zo stijf dat klein kunstaas er zijn actie door verliest, dus bewaar die voor groter snoekkunstaas.
  • Knopen: twee zijn genoeg om te beginnen: met een double uni verbind je de gevlochten lijn met de fluorocarbon, en met een Palomar knoop je de fluorocarbon aan een snap, wartel of haak. Zie Montage en knopen.

Waarom niet gewoon dunne fluorocarbon?

Sommige ervaren vissers gebruiken alleen dunne fluorocarbon voor klein kunstaas en dropshot, omdat voorzichtige baars en snoekbaars zonder staaldraad misschien iets vaker bijten. Dat is een afweging die zij bewust maken: pakt een snoek het kunstaas, dan zwemt die meestal weg met de haak in zijn bek. Ben je net begonnen, houd de staaldraad onderlijn er dan op.

Hengels die hieraan voldoen zijn bijvoorbeeld de Fox Rage Street Fighter Light Shad (220 cm, 5–20 g), de Berkley URBN II Roamer (230 cm, 5–21 g, transportlengte 63 cm) en de Abu Garcia Spike S Allround (229 cm, 5–25 g). Ze laten zien waar je op moet letten; het zijn niet de enige goede keuzes.

Wat je verder meeneemt

  • Een schepnet met een kop van rubberen mazen van zo’n 50×60 cm en een telescoopsteel van minstens 2–2,5 m (3–4 m voor kademuren in havens en aan het IJ). Goedkope netten van 1–1,5 m zijn te kort voor de kades in Amsterdam.
  • Een kleine, oprolbare onthaakmat.
  • Een lange bektang of arterieklem (20–30 cm) en een zijkniptang die door een haak heen knipt.
  • Een schaartje voor gevlochten lijn, een handdoek, zeep of handgel, en waterdichte pleisters.
  • Een bril: overdag een polarisatiebril, in de schemering een heldere. Hij beschermt je ogen net zo goed als dat hij schittering tegenhoudt.
  • Je VISpas en een opgeladen telefoon met VISplanner (en Navionics, als je dat gebruikt).
  • Een zakje voor oude lijn en kapotte softbaits.

Handig om erbij te hebben: een hoofdlamp, een kunstaasredder aan een touw, een net aan een touw voor de hoogste kades, thuis voorgeknoopte reserve-onderlijnen en een klein meetlint. Alles past in één schoudertas. Het schepnet klapt in tot zo’n 60–70 cm en de hengel gaat in een koker, dus je hele uitrusting gaat mee op de fiets.

Drie setups vergeleken

Heb je de smaak te pakken, dan wil je misschien een tweede hengel. De startersetup zit in het midden: met lichter materiaal merk je aanbeten van baars beter, met zwaarder materiaal werp je kunstaas voor snoek. De verschillen zijn bewust zo gekozen.

Baars (licht)StarterSnoek
Hengel1,80–2,10 m, 1–10 g2,10–2,30 m, 5–20 g2,20–2,40 m, 10–35 g
Molen1000–200025003000
Gevlochten lijn3–7 kg7–9 kg10–12 kg
OnderlijnDunne FC + titanium onderlijn1 m FC + 30 cm+ staaldraad45–60 cm staaldraad
Kunstaas3–7 cm5–10 cm12–15 cm, spinnerbaits
Jigkoppen1–5 g3–10 g (14 op het IJ)10–20 g

FC = fluorocarbon. Het werpgewicht geldt voor kunstaas en jigkop samen: een jigkop van 14 g met een shad van 10 cm zit aan de bovengrens van een hengel van 5–20 g.

Welk kunstaas?

Begin met alleen dit

  • Eén of twee zakjes paddletails van 7–8 cm (shads met een schoepstaart die meeslaat): één natuurlijke kleur, één felle.
  • Jigkoppen: een aantal van 5 g en 7 g, plus een paar van 10 g, met haakmaat 1/0–2/0.
  • Een handvol staaldraad onderlijnen (minstens 30 cm) met snaps.

Dat kost zo’n € 25–35, en dat is genoeg voor je eerste vissessies. Muren en gezonken fietsen vreten kunstaas, dus koop liever goedkope softbaits dan een paar dure. Een shad met jigkop kost zo’n € 2–3; een hardbait € 8–14.

Softbaits: de basis

Elk type heeft een eigen taak. Merknamen zijn alleen voorbeelden die je in veel winkels vindt; elk vergelijkbaar kunstaas werkt.

  • Paddletail (bijv. Keitech Easy Shiner, Savage Gear Cannibal Shad, SPRO IRIS The Shad, Fox Rage Zander Pro Shad): de allrounder. De staart slaat bij elke manier van binnendraaien. 5–8 cm voor baars, 9–10 cm voor snoekbaars, 12–15 cm voor snoek.
  • No-action shad (V-tail of pintail, 8 cm, bijv. SPRO IRIS V-Power): beweegt uit zichzelf nauwelijks, zakt dus langzaam en rustig, en heeft een lichtere jigkop nodig dan een paddletail. Voor koud water, dropshot en kieskeurige vis.
  • Dropshot-minnow (5–8 cm, bijv. Keitech Shad Impact): slank, trilt op zijn plek. Om strak langs muren en boten te vissen.
  • Creature bait of kreeftimitatie (5–9 cm, donker): pootjes die blijven bewegen als het kunstaas stilligt. Om langzaam over de bodem tussen de troep te vissen, waar het op een rivierkreeft of grondel lijkt.
  • Ned-aas (een drijvend staafje van 7 cm, bijv. Z-Man Finesse TRD): gaat rechtop op de bodem staan. Voor kieskeurige baars in koud water.

Hardbaits: handig, maar duurder als je ze kwijtraakt

  • Kleine spinner: glinstering en trilling, werpen en binnendraaien. Simpel, goed voor actieve baars in open water, en goedkoop. Gebruik een wartel tegen lijndraai.
  • Kleine crankbait (4–5 cm, een hardbait met een schoep waardoor hij duikt als je binnendraait): daarmee vis je snel veel water af voor baars. Houd hem uit de buurt van troep.
  • Spinnerbait (zo’n 14 g voor snoek): de haak loopt achter een metalen arm, dus hij glijdt door het kruid. Het makkelijkste snoekkunstaas voor een beginner.
  • Twitchbait / jerkbait: een slank, hard visje dat je met korte rukjes en pauzes vist. Het best in helderder, kouder water. Voor later.

Crankbaits, spinners en twitchbaits hebben dreggen, en die krijg je moeilijker los, vooral uit een snoek. Laat grote jerkbaits en swimbaits voor snoek voorlopig liggen: daar heb je zwaar materiaal voor nodig.

Maat van het kunstaas

Begin met 5–8 cm voor baars, 7–10 cm voor snoekbaars en 12–15 cm voor snoek. Groter kunstaas houdt vooral kleine vis weg in plaats van grote vis te lokken, en kost je aanbeten. Ga kleiner als je broedjes ziet, en probeer in de herfst slanker of groter kunstaas voor snoekbaars.

Kleur: houd het simpel

Kleuradvies is vooral ervaring van vissers, geen wetenschap, dus zie dit als een vertrekpunt. Plek, diepte en snelheid zijn veel belangrijker.

  • Kies in bruin grachtenwater kunstaas dat vis kan vinden: eerst contrast en trilling, dan pas de precieze tint.
  • Neem twee kleurgroepen mee: fel (wit, chartreuse) en donker of natuurlijk (motoroil, olijf, bruin).
  • Helder water of felle zon: natuurlijke kleuren. Schemer of troebel water: fel, of een donker silhouet.
  • Voor snoek in de herfst en winter is kunstaas in baarskleuren populair.
  • Betaal niet extra voor UV: er is weinig bewijs dat het helpt, en UV-licht komt nauwelijks door bruin grachtenwater heen.
  • Voordat je een andere kleur pakt: probeer eerst een andere stek, diepte of snelheid.

Montage en knopen

Vanaf de molen ziet je lijn er zo uit: gevlochten lijn, double uni, zo’n 1 m fluorocarbon, Palomar, staaldraad onderlijn, jigkop, softbait.

Een softbait op een jigkop zetten

  1. Houd de softbait naast de jigkop om te zien waar de haak eruit moet komen: op de rug, ongeveer op een derde van het lijf.
  2. Steek de haakpunt midden in de neus en schuif het lijf om de bocht van de haak.
  3. Laat de punt op de plek die je had bepaald uit de rug komen, met de haakpunt omhoog.
  4. Schuif de neus strak tegen de kop. Het lijf moet kaarsrecht zitten.
  5. Laat hem bij je voeten zwemmen. Hij moet rechtop zwemmen, met een gelijkmatig slaande staart. Een scheve softbait draait rond en vangt minder, dus zet hem opnieuw op.
Lengte kunstaasHaakmaat jigkop
5–7 cm#2–#1
7–8 cm1/0
8–10 cm1/0–2/0
11–12,5 cm3/0–4/0

De haakpunt moet ruim vrij van het lijf staan, minstens een vingerbreedte. Maten verschillen per merk, dus check het op het oog. Ronde jigkoppen zijn de allrounders en klemmen minder snel vast tussen stenen; stand-up jigkoppen houden de staart omhoog op de bodem. Een extra dreg als ‘stinger’ zorgt bij grote shads voor minder gemiste aanbeten, maar geeft in de troep op de stadsbodem constant hangers: laat stingers weg bij klein kunstaas.

Knopen

  • Double uni (gevlochten lijn aan fluorocarbon): de makkelijkste betrouwbare verbinding. Maak 6–8 windingen in de gevlochten lijn en 5 in de fluorocarbon.
  • Palomar (fluorocarbon aan snap, wartel of haak): sterk en simpel. Ook dé knoop voor dropshot.
  • FG-knoop (gevlochten lijn aan fluorocarbon, voor later): slanker en sterker, de moeite waard om te leren als je veel met lichte jigkoppen werpt.

Maak elke knoop nat voordat je hem aantrekt, en trek langzaam en stevig: de meeste knopen begeven het omdat ze slecht zijn aangetrokken. Laat na elke hanger of vis de laatste halve meter lijn door je vingers glijden, en knoop opnieuw als die ruw aanvoelt. Gebruik kleine, sterke snaps; goedkope kunnen openspringen door een snoek.

De slip instellen

Stel de slip zo in dat er bij een stevige trek aan de lijn al lijn van de molen loopt, ruim voordat er iets breekt: ongeveer een derde van de sterkte van je onderlijn, dus zo’n 2 kg bij de startersetup. Met een iets lossere slip scheuren haken minder snel uit de bek van een baars.

Waar zit de vis?

In een gracht die van muur tot muur even diep is, verzamelt vis zich overal waar iets die eentonigheid doorbreekt.

  • Bruggen: schaduw, een versmalling, vaak het diepste punt, en bouwpuin. Baars zit overdag strak tegen de pijlers; snoekbaars staat diep in de schaduw, en ’s nachts op de grens waar het licht van de brug overgaat in donker water; snoek loert vanuit de schaduw.
  • Verticale structuur: brugpijlers, meerpalen, remmingwerk bij sluizen en rompen van boten. Baars zit er strak tegenaan, snoekbaars in de buurt.
  • Kademuren met diep water direct onder de rand, en vooral waar een stenen muur overgaat in een stalen damwand. Roofvis drijft aasvis klem tegen muren, en aan de voet verzamelt zich puin.
  • Onderbrekingen: hoeken, monden van zijgrachten, kruisingen en versmallingen. Aasvis wordt daar samengedreven, en boten die er keren kunnen de bodem dieper uitschuren.
  • Diepte: de geul onder een brug, de vaargeul, taluds in havens en de randen van het IJ. Snoekbaars staat daar overdag, en in de winter de meeste vis.
  • Stromend water bij gemalen, sluizen of passerende schepen. Vis in de luwte naast de stroming, niet in de stroming zelf.
  • Afgemeerde boten en woonboten: schaduw, dekking en etensresten. Baars is er gek op. Vis erlangs, nooit eroverheen.
  • Havens en jachthavens: beschut, dieper en in de winter iets warmer, en dan trekt de vis erheen. (In sommige jachthavens mag je niet vissen: check VISplanner.)
  • Kruid: snoek en baars patrouilleren langs de randen, vooral waar het kruid overgaat in open water.
  • Licht in de nacht: snoekbaars jaagt langs de grens tussen lamplicht en donker water.
  • Wind op breder water: op plassen en het IJ kunnen voedsel en aasvis zich verzamelen aan de oever waar de wind op staat. Dat is eerder een bekende vuistregel uit het buitenland dan iets wat lokale bronnen bevestigen, dus zie het als een experiment.

Een lange, rechte muur zonder structuur heeft de laagste prioriteit: een paar worpen, dan door. Plan vooraf met een kaart, Street View of de dieptekaarten in de Navionics-app een rondje van 6–10 stekken binnen 1,5–2 km.

Tekenen van leven

  • Broedjes die aan de oppervlakte uiteenstuiven of opspatten: er jaagt iets op, vaak een school baars.
  • Een duikende fuut: er zit kleine vis in de 2–4 m eronder.
  • Biddende en duikende sterns (ongeveer april tot september): kleine aasvis vlak onder de oppervlakte, vaak boven het IJ en in havens.
  • Aalscholvers die een stuk water afvissen: een school vis, een handige aanwijzing in de winter.

Waar voedsel is, zit roofvis. Aasvis aanwezig: blijf langer. Helemaal geen leven: loop door.

Een nieuw stuk water lezen

  1. Waar is structuur: een brug, palen, boten, een hoek, kruid?
  2. Waar is het water het diepst? Tel bij je eerste worpen tot het kunstaas de bodem raakt, en vergelijk.
  3. Waar is schaduw, en waar is licht?
  4. Is er voedsel: broedjes aan de oppervlakte, duikende vogels?
  5. Welke kant op duwen de wind of de stroming?
  6. Waar kun je een vis landen: waar komt je schepnet bij het water?

Geen idee waar je heen moet? In Zo begin je staan een paar bekende gebieden om eerst te verkennen.

Licht, weer en water

De omstandigheden bepalen eerder waar de vis zit dan welk kunstaas hij wil. Ga uit van wat je ziet, niet van een weersverwachting.

Wat je merktProbeer dit
Felle zonVis strak langs schaduwranden en dieper; natuurlijke kleuren
Bewolkte, grijze dagSnoekbaars jaagt overdag meer; probeer open water en halfwater
Helder water (lange windstille periodes, winter)Natuurlijke kleuren, dunnere lijn, diepe schaduw; snoekbaars in de schemering
Bruin, omgewoeld waterFel of donker kunstaas met een krachtige staartslag
Harde wind op het IJWijk uit naar beschutte grachten of de Amstel, of vis zwaarder
Stroming na regen of door een sluisVis in de luwte ernaast
Veel rondvaartbotenVis vroeg in het centrum, voordat de boten gaan varen
Koud waterLangzamer, dichter bij de bodem, langere pauzes
Warme, windstille periodeOchtend- en avondschemering; water met wat beweging

Boten werken twee kanten op: veel verkeer in smalle grachten kan vis afschrikken, terwijl een groot schip dat over het IJ vaart soms een korte vreetbui uitlokt. Luchtdruk krijgt vaak de schuld, maar geen enkel onderzoek heeft aangetoond dat die op zichzelf uitmaakt; zie een drukverandering als teken dat het weer omslaat, niet als reden om thuis te blijven. Hetzelfde geldt voor de maan.

Je eerste 10 worpen, en wanneer je doorloopt

Streetfishing is een kwestie van lopen. Geef elke stek zo’n tien goede worpen, verander één ding en beslis dan.

  1. Worp 1–3: evenwijdig aan de muur, een halve tot een hele meter uit de kant. Tel bij de eerste worp tot het kunstaas de bodem raakt, dan weet je hoe diep het is.
  2. Worp 4–5: voorbij de pijlers, palen, rompen en schaduwlijn, en vis je kunstaas er vlak langs terug.
  3. Worp 6–8: waaier uit naar het diepste stuk onder de brug, en laat je kunstaas over de bodem huppen.
  4. Worp 9–10: verander één ding. Vis hoger, stap over op dropshot, of pak een andere maat.

Blijf staan na elk tikje, elke volger of vis. Baars trekt rond in scholen en snoekbaars in kleine groepjes van ongeveer hetzelfde formaat, dus werp meteen terug op dezelfde lijn. Zie je tekenen van vis, geef de stek dan 20–30 minuten en probeer twee of drie verschillende presentaties. Na zo’n 10 minuten niks? Loop door naar de volgende stek en sla de saaie stukken ertussen over.

Een vissessie van 2–3 uur

  1. Plan een rondje van 6–10 stekken, met één beschutte stek voor als het waait.
  2. Neem kunstaas om mee te zoeken en een langzame montage mee: een jigkop met een paddletail, plus een dropshot. Eén hengel en een snap is genoeg.
  3. Geef elke stek 8–15 minuten en loop door als er niets gebeurt.
  4. Kijk elke 30–45 minuten terug: waar kreeg je tikjes? Bodem of halfwater? Pijlers of muren? Vis de rest van je rondje op die manier.
  5. Bewaar de laatste 45 minuten voor het donker voor je beste snoekbaarsstek: een diepe, schaduwrijke brug, een havenmond of een verlichte brug.

Kom later terug op goede stekken: een stek die om drie uur dood was, kan om half zeven vol leven zitten. Laat een stek een uur rusten als je er een paar vissen hebt gevangen.

Zo vis je ermee

Jigkop: jiggen

Dé methode voor snoekbaars, en ook goed voor baars. Je laat een softbait over de bodem huppen, en de meeste aanbeten komen terwijl hij terugzakt.

  1. Werp, en klap de beugel dicht zodra het kunstaas landt. Laat het aan een strakke lijn zakken.
  2. Tel tot de lijn slap valt en je hengeltop weer recht komt: dan ligt het kunstaas op de bodem. Onthoud tot hoeveel je telde; pakt een vis het kunstaas tijdens het zakken, dan landt het eerder dan normaal.
  3. Til de hengel op, of draai 1–2 keer snel aan de molen, zodat het kunstaas 20–40 cm omhoog springt.
  4. Laat de hengel zakken terwijl je de slappe lijn binnendraait, zodat het kunstaas onder lichte spanning terugzakt. Zorg dat je hengel laag staat als het kunstaas weer landt, zodat je ruimte hebt om aan te slaan.
  5. Herhaal dit tot aan je voeten, en til hoger vlak bij de muur, zodat je over het puin aan de voet heen komt.

Snoekbaars jaagt op of net boven de bodem, dus houd de sprongetjes klein. Is de vis actief, dan kan een fellere dubbele sprong (twee snelle halen omhoog voordat het kunstaas zakt) beter werken.

Faulenzen: lui jiggen

Bij faulenzen (een Duitse techniek; de naam betekent zoiets als ‘luieren’) beweeg je het kunstaas met de molen in plaats van met de hengel. Houd de hengel stil en laat hem in het verlengde van de lijn wijzen. Draai na het landen 1–3 keer snel aan de molen, laat het kunstaas dan aan een strakke lijn zakken en let op het moment dat de lijn slap valt. Zo blijven de sprongetjes vlak en dicht bij de bodem en houd je bij wind meer controle. De techniek past goed bij koud water en bij beginners. In de winter kan een halve slag al genoeg zijn.

Gelijkmatig binnendraaien

Het makkelijkste om mee te beginnen, en de beste manier om te zoeken. Werp, laat het kunstaas tellend zakken tot de diepte die je wilt, en draai gelijkmatig binnen, met af en toe een korte pauze of een rukje: vis pakt vaak net na een pauze toe. De lijn blijft strak, dus je voelt elke aanbeet, en kunstaas dat van de bodem blijft, raakt zelden vast.

  • Baars: vlot, op elke diepte. Grote baars wil het soms bijna zo snel als je kunt draaien.
  • Snoekbaars: langzaam, net boven de bodem, met af en toe een zacht tikje van de hengeltop. ’s Nachts komt hij omhoog naar halfwater.
  • Snoek: langzamer en hoger, met een plotseling rukje als er een volgt.

Dropshot

Je antwoord op muren, boten en troep, en voor veel streetfishers de eerste methode. Een klein aasje zit aan een haak boven een lood dat op de bodem ligt, zodat het op zijn plek boven de troep trilt. Je raakt veel minder kunstaas kwijt, en vis zit meestal netjes in de bovenlip gehaakt. Het is geen methode om mee te zoeken: gebruik het waar vis waarschijnlijk zit.

  • Opzetten: knoop een dropshothaak (#4–#6 voor slank aas, #1–#2 voor dikker aas) met een Palomar en laat een lang eind lijn over. Steek dat eind terug door het oog, zodat de haakpunt omhoog wijst, en klem een lood van 5–10 g (7–14 g bij wind) aan het eind. Haak een minnow van 5–8 cm door de neus.
  • Afstand tussen haak en lood: 20–30 cm als je recht naar beneden vist, 30–50 cm als je werpt. Na een worp loopt de lijn onder een vlakke hoek, dus het aas zit lager dan de afstand doet vermoeden.
  • Vissen: laat hem recht naar beneden zakken binnen een halve meter van een muur of romp, of werp kort en sleep hem langzaam terug. Beweeg het aas, niet het lood: een paar piepkleine rukjes met een beetje slappe lijn, dan een paar seconden pauze. Vis elk stuk een minuut af en schuif dan een paar meter op.
  • Tip: hang het lood aan een stukje dunnere lijn, dan kost een hanger je alleen het lood.
  • Snoek: de haak zit direct aan de onderlijn geknoopt, dus een dropshot op dunne fluorocarbon is niet snoekbestendig. Zit er waarschijnlijk snoek, knoop hem dan op 0,8 mm fluorocarbon of vis in plaats daarvan met een jigkop aan staaldraad.
  • Dropshot is niet toegestaan van 1 april tot en met de laatste vrijdag van mei.

Hardbaits

  • Spinner en spinnerbait: werpen en gelijkmatig binnendraaien, net snel genoeg om het blad te voelen draaien.
  • Crankbait: draai binnen om hem te laten duiken, varieer de snelheid en pauzeer: dan komt hij iets omhoog, en juist dan slaat een baars vaak toe.
  • Twitchbait: twee of drie korte rukjes met de hengeltop, dan een pauze. Hoe kouder het water, hoe langer de pauzes.

Andere montages, voor later

Je kunt jarenlang vissen met een jigkop en een dropshot. Deze montages lossen specifieke problemen op:

  • Ned rig (een drijvend staafje van 7 cm op een mushroom-jigkop van 2–5 g): heel langzaam over de bodem gesleept, met pauzes van 10 seconden of langer. Voor kieskeurige baars in koud water die alles negeert wat snel beweegt. Nutteloos om mee te zoeken.
  • Carolina rig (een schuiflood, dan 50–80 cm onderlijn naar een creature bait): een langzame, lange presentatie voor winterbaars op breder water zoals de Amstel of havenbekkens. Onhandig op krappe stekken.
  • Texas of Jika rig (de haakpunt verstopt in het aas, het lood er vlak voor): voor kruid en troep waar een open haak steeds in blijft haken. De prijs is dat je minder vis haakt, vooral snoekbaars, dus gebruik zo’n montage alleen als het nodig is.
  • Cheburashka (een lood aan een draadclip met een losse haak): een soort jigkop waarvan je het gewicht kunt wisselen zonder opnieuw te knopen, met een levendiger bewegend aas.

Gewicht van je jigkop: tel de zaktijd

Het gewicht bepaalt hoe het kunstaas zakt, en tijdens het zakken komen de meeste aanbeten.

  • Lichter: zakt langzamer en ziet er natuurlijker uit, maar je voelt de bodem minder goed en wind of stroming duwt hem alle kanten op.
  • Zwaarder: is snel beneden en houdt contact bij wind, stroming en in dieper water, maar zakt als een baksteen en blijft vaker hangen.

Gebruik dus de lichtste jigkop waarmee je hem nog elke keer voelt landen. Tel na elke sprong: in een gracht hoort hij binnen zo’n 2–4 seconden weer te landen (in koud water iets langer). Veel sneller? Dan lichter. Voel je hem nooit landen, dan zwaarder.

WaarBegin metBereik
Baars op ondiepe randen en in havens, aas van 5–7 cm3–5 g2–7 g
Grachten, shad van 7–9 cm (baars en snoekbaars)5–7 g4–10 g
Het IJ, stroming, wind, diepere havens10 g7–14 g
  • Wind, stroming, diepte en grote schoepstaarten vragen allemaal om meer gewicht.
  • No-action shads hebben ongeveer een derde minder gewicht nodig dan een even grote paddletail.
  • Een zachte slibbodem slikt de ‘tok’ bij het landen: let in plaats daarvan op het moment dat de lijn slap valt.
  • Pas begonnen met jiggen? Begin een stapje zwaarder (zo’n 7 g in een gracht) tot je elke keer de bodem voelt, en ga dan lichter.

Aanbeten en aanslaan

De meeste aanbeten zijn klein. Twijfel je of het de bodem was of een vis? Sla aan: een aanslag op de bodem kost je weinig, en een snoekbaars waarop je niet hebt aangeslagen, komt zelden terug.

Wat je merktDoe dit
Een droge tik of klop door de hengelSla aan
De lijn springt, trekt of beweegt opzijSla aan
Het kunstaas landt eerder dan je gewend bentSla aan
Extra gewicht als je optiltSla aan
Het kunstaas voelt ineens licht tijdens gelijkmatig binnendraaienDraai snel de slappe lijn binnen en sla dan aan
Een zacht tikje op een dropshotLaat de top iets zakken, voel of er gewicht op zit, draai dan binnen en til op
Een harde klap op een dropshotSla aan
Een snoek volgt maar bijt nietGeef een rukje of versnel; laat het kunstaas niet ineens stilvallen

Let bij elke keer zakken op de lijn waar die het water in gaat: felgekleurde gevlochten lijn en een polarisatiebril maken dat veel makkelijker, en in de schemering leer je het in plaats daarvan door de hengel te voelen. Sla kort en fel aan vanuit je pols en onderarm; gevlochten lijn rekt niet, dus een grote zwaai is niet nodig. Snoekbaars heeft een harde bek, dus wees beslist; baars een dunne, dus zet de slip iets losser.

Test na elke hanger en elke vis je haakpunt op je duimnagel: glijdt hij weg in plaats van te haken, slijp hem dan of vervang hem. Botte haken kosten je veel snoekbaars.

Geen aanbeten? Verander één ding

Zoek uit wat er mis is voordat je naar ander kunstaas grijpt. Verander één ding tegelijk.

Wat er gebeurtProbeer dit
Je voelt het kunstaas nooit landenEen zwaardere jigkop, of houd de lijn strak tijdens het zakken
Je zit om de paar worpen vastEen lichtere jigkop, eerder optillen bij de muur, vanuit een andere hoek werpen, een dropshot of een weedless montage
Broedjes of duikende vogels, maar geen aanbetenVerander eerst diepte of snelheid, ga dan kleiner
Tikjes maar geen vis aan de haakKleiner kunstaas, een scherpe haak, en sla aan bij de eerste tik
Vis volgt maar draait afVerander van snelheid, of pauzeer het kunstaas vlak bij de muur
Na 10 worpen en één aanpassing geen teken van levenLoop door. Een nieuwe stek is beter dan nieuw kunstaas.
Koud water (winter)Langzamer, dichter bij de bodem, een slank no-action aasje, dieper water
Felle zon, helder waterSchaduw en diepte; natuurlijke kleuren; kom terug in de schemering

Hangers

Streetfishers rekenen op 10–15 hangers per dag. Je krijgt er minder als je het kunstaas net boven de troep houdt: vis met een dropshot, til je hengel op bij de muur, en sleep geen open jigkop over een bodem die je niet kent. Blijf je op dezelfde plek vastzitten, werp dan korter of ga lichter. Zit je toch vast:

  1. Stop met trekken. Harder trekken zet de haak alleen maar vaster.
  2. Geef een paar seconden slappe lijn; soms komt het kunstaas door zijn eigen gewicht los.
  3. Loop een stukje over de kade en trek zachtjes vanuit een andere hoek.
  4. Tokkel op de strakke lijn als op een boogpees en laat los.
  5. Probeer een kunstaasredder: een stalen ring van 10 cm of groter aan een touw, die je langs de lijn naar beneden laat glijden.
  6. Moet je afbreken, richt de hengel dan op de hanger, wikkel de lijn om een doek (nooit om je vingers), kijk weg en loop achteruit.

Check daarna de haakpunt en de laatste halve meter onderlijn. Neem afgebroken lijn mee naar huis.

Landen en terugzetten

In de grachtengordel liggen de kades van Amsterdam zo’n 1–1,5 m boven het water, en op sommige plekken hoger. Takel een mooie vis nooit aan de lijn tegen de muur op: zijn hele gewicht hangt dan aan die ene plek waar de haak zit, en de kaak scheurt of de vis valt op de stenen. Gebruik je schepnet.

  1. Drill de vis uit in open water, weg van boten, touwen en het puin aan de voet van de muur.
  2. Schuif je schepnet uit en laat het helemaal onder water zakken voordat de vis er is.
  3. Trek de vis met de kop voorop over het net. Schep hem niet van achteren.
  4. Til het net op door met je handen langs de steel omhoog te werken en hem ondertussen in te schuiven: een zware vis aan een volledig uitgeschoven telescoopsteel kan die krom trekken.
  5. Leun niet over natte of bemoste randen. Vraag liever iemand om te helpen.
  • Maak eerst de onthaakmat en je handen nat. Leg een vis nooit op kale stenen.
  • Zorg dat je tang en zijkniptang al in je hand hebt voordat de vis uit het water komt. Onthaak hem in het net of op de mat. Knip een diepe haak of een dreg liever door dan hem eruit te scheuren.
  • Houd een vis hooguit 10 seconden uit het water. Voor een foto houd je hem laag en horizontaal boven de mat, met twee handen.
  • Terugzetten: leg de vis vanaf een hoge muur terug in het net, laat het net in het water zakken en laat hem eruit zwemmen. Laat hem nooit vallen.
  • Baars: houd kleine baarzen bij de onderlip vast en ondersteun grote onder de buik. Pas op voor de stekelige rugvin en de scherpe kieuwdeksels. Zet ze meteen terug: blijven ze in een net liggen, dan kan hun zwemblaas opzwellen en komen ze moeilijk weer naar beneden.
  • Snoekbaars: pak hem van bovenaf vast, net achter de kop, met je andere hand onder de buik. Pas op voor de scherpe tanden en de stekelige rugvin. Visguides vermijden het om snoekbaars terug te zetten die op 10 m of dieper is gevangen, omdat het drukverschil hem schaadt; die diepte vind je alleen op het IJ en de grote plassen.
  • Snoek: nog geen ervaring met snoek? Probeer hem dan niet vast te pakken. Laat hem in het net op de natte mat liggen en onthaak hem daar met een lange arterieklem; knip de haak door als dat nodig is. Ervaren vissers pakken snoek met de kieuwgreep, en dat is veilig zodra iemand het je in het echt heeft voorgedaan, niet via een website. Hang een snoek nooit aan zijn kaak, gebruik nooit een bekspreider, en vis niet op snoek als het water erg warm is.

Voel je je niet zeker met een snoek? Vis dan met iemand die dat wel is.

Het is een van de beste redenen om je eerste paar vistrips samen met iemand anders te maken.

Veilig vissen

  • Leptospirose (ziekte van Weil) krijg je via rattenurine in grachtenwater, en het RIVM noemt vissen als risico. Plak wondjes af met waterdichte pleisters, kom niet met natte handen aan je gezicht, was je daarna met zeep, en ga naar de huisarts als je in de weken erna plotseling hoge koorts krijgt (vertel dan dat je hebt gevist). Let extra op na flinke regen, als het riool kan overstorten in de grachten.
  • Ogen: kunstaas dat losschiet uit een hanger vliegt recht op je af. Draag altijd een bril, en kijk weg als je aan een hanger trekt.
  • Haak in je huid: haken met weerhaak bij een gewricht of in je gezicht, en alles wat diep zit, zijn voor de huisartsenpost, niet voor je tang. Een haak in of bij het oog: niet aankomen, direct naar de spoedeisende hulp.
  • In het water vallen: elk jaar belanden in Amsterdam meer dan 100 mensen in het water, en langs de hoge kades zijn weinig ladders. Draag schoenen met grip, blijf van natte kaderanden en trapjes vol algen af, laat het bier staan, en weet waar de dichtstbijzijnde ladder of lage steiger is.
  • ’s Nachts: ga met z’n tweeën, zorg dat je telefoon opgeladen is, en laat iemand weten waar je bent.
  • Op de fiets: hengels in een koker, vastgemaakt langs je frame of tas, nooit in je hand. Let op je hengeltoppen bij spaken en tramrails.

Op de kade

  • Kijk voor elke worp achter je. Fietsers en voetgangers komen vlak langs, dus werp kort zijwaarts of onderhands langs de muur, en nooit over je hoofd op een drukke kade. Blokkeer het fietspad niet met je hengel of schepnet.
  • Haal je lijn op als er een boot aankomt; schippers van rondvaartboten kunnen er niet omheen. Werp nooit over afgemeerde boten, touwen of fenders.
  • Tuintjes van woonboten, steigers en pontons in jachthavens zijn privé. Vis alleen vanaf openbare kades, en nooit vanaf afgezette of beschadigde kademuren: veel kades worden vernieuwd.
  • Vis vanaf de kade naast een brug, niet vanaf de brug zelf: daarvandaan kun je geen vis landen, en je lijn hangt over de vaargeul.
  • Vis in het centrum vroeg, of doordeweeks ’s ochtends. Je krijgt publiek: behandel vis snel en goed.
  • Doe ’s nachts rustig en richt je hoofdlamp op de grond, nooit op ramen of in bootkajuiten. Voor nachtvissen heb je een nachtvergunning nodig.
  • Geef andere vissers ruimte: vraag het eerst voordat je bij een brug of hoek gaat staan waar al iemand vist, en bied aan om te scheppen.
  • Neem elk stukje lijn en plastic mee naar huis, en raap ook wat op dat niet van jou is.

Seizoenen en tijdstip van de dag

De herfst is het beste seizoen. In de winter loont langzaam vissen in dieper water, het voorjaar is grotendeels gesloten, en de zomer is voor vroege ochtenden en avonden.

  • Herfst (september–november): topseizoen. Baars trekt samen in scholen en eet zich vol, en oktober is een topmaand. Snoekbaars jaagt in de ochtend- en avondschemering op taluds en in geulen, en je kunstaas mag geleidelijk groter worden. Snoek patrouilleert langs het afstervende kruid en ligt op de eerste taluds.
  • Winter (december–februari): alles open. Baars zit in scholen, de grote vrouwtjes ook; vis langzaam met een dropshot, Ned rig of Carolina rig rond bruggen, havens en afgemeerde boten. Snoekbaars trekt vanaf ongeveer eind november naar dieper, rustiger water zoals havens en havenmonden: slank of no-action aas, heel langzaam gevist, vaak het best in de middag. Snoek is op zijn zwaarst, en langzame presentaties vlak bij de bodem werken.
  • Voorjaar (maart–mei): snoek gaat op 1 maart dicht, snoekbaars en baars op 1 april. Van 1 april tot en met de laatste vrijdag van mei zijn kunstaas en dropshot helemaal niet toegestaan. Op de laatste zaterdag van mei gaat alles weer open. In deze periode paait de vis: snoekbaars bewaakt zijn nest op harde bodems.
  • Zomer (juni–augustus): vis in de ochtend- en avondschemering. In juni is de vis hongerig na de paai; in juli en augustus zit er veel jong broed, dus klein kunstaas doet het goed. Baars langs kruid, bruggen en woonboten; snoekbaars op kleine shads, het best in de schemering en na donker; snoek op weedless kunstaas vroeg en laat, maar niet als het water warmer is dan zo’n 22 °C. Bij warm, windstil weer kan water dat beweegt (de Amstel, het IJ) beter zijn dan doodlopende grachten.

Door de dag heen

  • Baars: bij daglicht, in de zomer met pieken vroeg in de ochtend en in de avond. ’s Nachts slecht, behalve bij kunstlicht.
  • Snoekbaars: van de schemering tot in de nacht is het beste moment; overdag diep in de schaduw. Vis ’s nachts op de grens van licht en schaduw bij lantaarns en verlichte bruggen.
  • Snoek: overdag en in de schemering. ’s Nachts op snoek vissen is voor een beginner niet de moeite waard.

Vis in het centrum voordat de rondvaartboten gaan varen. Op bewolkte dagen komt snoekbaars ook overdag los, terwijl felle zon de vis de schaduw en het diepere water in drijft.

Voor het open water bij IJburg en Durgerdam (het IJmeer) gelden andere regels: geen kunstaas van 16 maart tot en met 30 juni. Zie de regels.

Bronnen

Liever niet alleen vissen?

Castside helpt je mensen te vinden die toch al van plan zijn om in Amsterdam te gaan vissen. Bekijk wie er op pad gaat en vis mee, of plaats je eigen sessie. Gratis en zonder account.